Deel 5) Duurzame gezinshuizen
- Gegevens
- Gemaakt op woensdag 21 maart 2012 12:07
Probleemgedrag hangt samen met de gang van zaken in het gezin, de schoolontwikkeling,
de omgang met vrienden en de invulling van de vrije tijd. Vanuit de sociaalecologische benadering is dit goed te begrijpen. Centraal uitgangspunt in de sociaalecologische benadering (Bronfenbrenner, 1979, 1994) is dat de omgeving invloed heeft op de ontwikkeling van het individu. Uiteenlopende etiologische benaderingen (psychoanalytisch / psychodynamisch, leertheoretisch, biologisch), die gericht zijn op het begrijpen en beïnvloeden van de ontwikkeling van (meervoudig probleem-)gedrag worden geïntegreerd. Dit heeft eraan bijgedragen dat men de ontwikkeling en socialisatie van het kind als een proces ziet waarbij de erfelijke aanleg, de omgeving en de interactie tussen aanleg en omgeving van invloed zijn op de ontwikkelingsuitkomst. In deze lijn kan gedrag alleen worden begrepen als niet alleen naar de individuele, maar ook naar de interpersoonlijke en sociaal-culturele factoren wordt gekeken. Bij het ontstaan van gedragsproblemen zal de sociale omgeving van het kind dan ook een belangrijke rol spelen.
Het ecologisch model van Bronfenbrenner maakt visueel dat de ontwikkeling van kinderen zowel afhankelijk is van kenmerken van het kind zelf, als van zijn interacties met de omgeving. Beide grijpen op elkaar in, het is nutteloos om ze los van elkaar te bezien. In het model staat het kind (met zijn kenmerken) centraal, binnen een breed netwerk van relaties (interactietypen) die of direct (face to face, zoals de ouders of leerkracht), of indirect (zoals bij contacten van de ouders met de leerkracht) op de ontwikkeling het kind invloed hebben.
Al deze relaties plaatst Bronfenbrenner in een aantal aangesloten systemen van steeds verder weg liggende relaties: micro, meso, exo en macrosysteem. De buitenste laag, het macrosysteem, bevat als enige geen relaties, maar maatschapppelijke en (sub-)culturele rolvoorschriften (bijvoorbeeld: alleen de vader praat met de leerkracht).
Deze systemen kunnen zowel positieve als negatieve invloeden hebben op de ontwikkeling van het kind en zijn gezin. Ze vormen als het ware beschermende factoren en risicofactoren voor de ontwikkeling.
We hebben dit nader uitgewerkt:
Binnen gezinshuizen wonen overwegend kinderen met hechtingsvragen.
Binnen deze vorm van specialistisch opvoeden wordt gewerkt op het contact. Er worden correctieve ervaringen aangebracht in het (verstoorde) hechtingsproces. Dit gebeurt in verbondenheid binnen het gewone leven. Kenmerkend voor een gezinshuis is dat je het leven deelt met elkaar.
Gezinshuisouders maken binnen dat gedeelde leven gebruik van drie kernvermogens, die als het ware lijfgebonden zijn: inleven, meeleven, samenleven. Dat maakt ‘normaal’ opvoeden specifiek en bijzonder.
- Inleven: Wie ben je?
- Meeleven: Hoe gaat het met je?
- Samenleven: Wat kan ik voor je doen?
Door intensief gebruik van, en reflectie op, deze kernvermogens krijgt dienstverlening vorm en inhoud. Ze leidt tot correctieve ervaringen die doorlopend aangebracht worden in het gedeelde leven en hebben daarmee een duurzame inprenting. Soms is dat niet genoeg; dan wordt aanvullend therapie ingezet zoals EMDR, cognitieve therapie e.d.
Het meest werkzame in een gezinshuis zijn echter doorlopende en langdurende correctieve ervaringen in het gewone leven, door herstellend te handelen.
Lees verder in deel 6



Even geduld ...